Een kabinet van kunstliefhebbers

 

Portrait Maurice Magnin - musée Magnin
Zijn bekoring heeft het museum Magnin in de eerste plaats te danken aan zijn omgeving. Hoewel Jeanne en Maurice Magnin in Parijs wooden, waar zijhun collectie samenstelden, besloten zij deze in hun geboortehuis, het Hôtel Lantin,te installeren, toen zij hiervoor een museum wilden oprichten. Meubilair, kunstvoorwerpen en pendules moesten het bezoek nog aantrekkelijker maken en zorgen dat de sfeer van een oud herenhuis bewaard bleef.

 

Maurice Magnin (1861-1939), hoofdadviseur van de Rekenkamer van Parijs, ontwikkelde voor een groot deel zijn smaak voor, en kennis van kunst door veelvuldig bezoek aan het veilinhuis Hôtel Drouot. Een van zijn vrienden was de schilder Jean-Gabriel Goulinat, tevens hoofd van de Restauratiewerkplaats van de Franse nationale musea.

 

Jeanne Magnin (1855-1937) volgde schilderlessen bij de landschapsschilder Henri Harpignies. Zij liet enkele kleine schilderijen achter, alsmede een set beschilderd glas dat tijdens de Wereldexpositie van 1889 tentoongesteld werd. Zij was waarschijnlijk autodidact op het gebied van kunstgeschiedenis en schreef twee brochures over de romantiek en het landschap, alsmede de catalogi van de schilderijen in de musea van Besançon, Dole en Dijon. Haar kennis van de fondsen van deze musea was invloed op hun aankopen.

 

De Magnins hadden een aardig fortuin, maar geen bovenmatige inkomsten, zodat zij bewust het bedrag van hun aankopen binnen de perken hielden. Dankzij hun ervaring en kennis wisten zij vooral tijdens openbare verkopen in vijftig jaar tijd zeventienhonderd schilderijen, tekeningen en kleine beeldjes, waarvan sommige van grote waarde, maar ook afbeeldingen, oude kopieën en losse schetsen te verwerven, die zij in 1937 aan de Staat nalieten.

 

De hoop die  iedere kunstverzamelaar koestert om een grote naam of een uitzonderlijk kunstwerk van een anonieme kunstenaar "op te duiken" verklaart de optimistische bijdragen van kunstenaars die nu niet meer in trek zijn (Poussin, Watteau, Fragonard, Prud'hon...). Aan de andere kant kan de collectie prat gaan op de aanwezigheid van minder bekende, maar tegenwoordig hooggewaardeerde artiesten als Crespi, bijgenaamd Cerano, Dorigny, van Bijlert of van der Helst.

 

Een van de bijzonderheden van de Magnins was namelijk dat zij kunstwerken kochten die niet in, of zelfs volledig uit waren, echter met het streven verzamelingen samen te stellen die de belangrijkstemomenten van een zonder vooroordelen geschreven kunstgeschiedenis zouden kunnen oproepen. Aan het begin van de 20e eeuw waren er maar weinigen die zich interesseerden voor de Florentijnse schilders uit de 17e eeuw of de Napolitaanse uit de 18e eeuw; de kunstwerken van Boucher de Bourges zijn nauwelijks te vinden buiten zijn geboortestad en Rennes en de namen Le Sueur, La Hyre, Bourdon of Vignon waren toen veel minder bekend dan nu, in een tijd waarin men slechts Poussin, Dughet en Le Lorrain citeerde, wanneer men het over de Franse 17e eeuw had.

 

Om reden van hun financiële situatie, namen de Magnin de volgende uitdaging aan: de hoogtepunten van de westerse schilderkunst aanroeren, niet aan de hand van de grote namen, maar van die van hun omgeving. We vinden hier dan ook geen Titiaan, maar wel twee prachtige werken van Cariani, geen Tintoret, maar wel een intense tintoretachige compositie: Intocht van Christus in Jeruzalem, geen Bronzino, maar wel een spectaculaire Suzanne van zijn leerling, Allori, geen Philippe de Champaigne, maar wel twee schilderijen van zijn neef en leerling, Jean-Baptiste. De bezoeker wordt hiermee in de gelegenheid gesteld kennis te maken met minder bekende artiesten, in plaats van grote namen te herkennen.

 

De collectie is ook om een andere reden origineel: de kunsterken bevinden zich niet noodzakelijkerwijs daar, men ze verwacht. Van de drie meest opmerkelijke portretten van de collectie zijn er twee nog anoniem: Jeune fille au collier de jais, geschilderd rond 1815, en het Portrait d'homme des années 1630, terwijl het derde, Jeune fille peignant son jeune frère, geschilderd werd door Lefebvre, die vooral bekendheid genoot als graveerder. De kleine, door Girodet tijdens zijn reis door Italië geschilderde landschappen zijn uiterst zeldzaam en het quasi-monochrome gezicht van Venetië is zeer onverwacht van de kant van de naturalistische schilder Bastien-Lepage, die bekend staat om zijn landelijke taferelen.

 

Hoewel de Magnins de helft van hun leven in de 20e eeuw doormaakten, bleven zij als verzamelaars aan de 19e eeuw vasthouden. Dat is te merken aan de keuze van minder bekende meesters uit deze periode, die tijdens hun leven enig succes hadden, maar tegenwoordig vooral op prijs gesteld worden door kunstliefhebbers. Dit bemerkt men aan de strikte scheiding tussen de diverse kunststromingen die de twee verzamelaars wenten, alsmede aan de zeer dicht bij elkaar opgehangen schilderijen. deze museografie, waarvan de geest bewust in stand is gehouden, geeft het bezoek extra charme.